Het tuig
Op een lengte van 7,90m lijkt een 30m² tweemasttuig overdreven. Toch: veel historische werkboten hadden net zo’n tuig omdat het zo handig was:
- een druiltje, helemaal achterop, heeft een sterk effect op loef- of lijgierigheid en dient daarom als stuurzeiltje, zowel om de boot zelfsturend te krijgen als om, in krap vaarwater, de manoeuvre te ondersteunen, bijvoorbeeld om heel snel op te loeven;
- ten anker zorgt het druiltje dat de boot recht op de wind blijft en bij wind dwars op de stroom minder slingert;
- onder fok en druil stuurt de boot in balans, ook hoog aan de (harde) wind, zodat het grootzeil in alle rust gereefd (of weggelaten) kan worden;
- doordat de mast verder naar voren staat dan bij een eenmaster, vaart Wadkrabber ook in balans onder enkel grootzeil, wat het rustig manoeuvreren in havens of bij kunstwerken makkelijk maakt;
- het houarigrootzeil kan daarbij onder alle invalshoeken van de wind worden gezet of gestreken;
- dankzij het voorlijk zeilpunt van de fok, lenst Wadkrabber goed bij zwaar weer, zeker omdat zij over het (opgehaald) midzwaard niet kan ‘struikelen’;
- bij storm met weinig ruimte naar lij, kan Wadkrabber rustig bijliggen achter de enkele druil. Brekers drukken haar dan opzij in plaats van om. Veel gevallen zijn bekend van vlotgaande schepen, zoals midzwaardschoeners en Chinese jonken, die bijliggend de zwaarste stormen overleefden, terwijl diepe kielschepen even verderop met man en muis vergingen.
Vissersbommen en -loggers reden vroeger stormen uit achter de vleet, met slechts de bezaan bij.